|
U weet hoe het is
als je ouder wordt; je moet je steeds meer
moeite getroosten om met je kinderen op
sportief gebied gelijk op te kunnen gaan.
Dat realiseerde ik me toen er enige jaren
geleden regelmatig ’s avonds werd gevoetbald
op het Landje van Vijf. Soms deed ik mee.
Het kon er fanatiek aan toe gaan, en
menigmaal moest het spel worden onderbroken
omdat er iemand lag te creperen op het gras,
geraakt door de bal, was getroffen door
eigen of andermans ledematen die onbeheerst
rondzwaaiden, of omdat het slachtoffer nou
eenmaal klein was en/of een onhandige kluns.
Of er was helemaal niets aan de hand, en hij
had op televisie van de profvoetballers
afgekeken hoe het moest.
Zelf stopte ik bij
wijze van spreken ook wel eens een kleine
tegenstrever onder, natuurlijk binnen de
door mezelf gestelde sportieve normen, dat
scheelde dan een hoop geloop, en met een
beetje bluf gaf je jezelf dan nog een vrije
schop ook. De bal zwaaide menigmaal
vervaarlijk een tuin in, wat meestal niet
heel erg werd gevonden door de op rust
beluste buren die de hakpartij minzaam
aanschouwden, of ze deden alsof.
Zelfs de toenmalige
landeigenaar, nog in zijn goede jaren, liet
ons onbekommerd de bal uit zijn tuin vissen,
alhoewel niet iedereen dat durfde omdat hij
twee grote zwarte honden had. Die waren
niettegenstaande hun uiterlijk echter heel
lief van karakter, althans volgens de veilig
achter het hek verblijvende mederecreanten.
Het mooiste moment
kwam als het spel ten einde liep. Men
klonterde nog wat samen bij een der huisjes
of vertrok naar het eigen huisje. Of naar
dat van een vriendinnetje, want ook
voetballers zijn maar mensen. Als ouder
iemand zoals ik kwam dat einde als een
verlossing, je plofte neer op een stoel en
als je aandacht wilde liet je de opgelopen
kwetsuren aan je vrouw zien onder het genot
van een drankje.
De natuur hernam
zijn bezit van het veldje, al gauw huppelde
er al weer een konijn of kroop er een egel
langs een der hekjes. Een late merel
onderzocht een slidingspoor op wormen of
iets anders eetbaars. De donkerte deed zijn
intrede en je werd omhuld door de invallende
stilte van het bos. Soms kletste er een
meikever, die blijkbaar beperkt kon
navigeren, tegen het huisje aan. De stilte
kon ruw worden verstoord als de drie jonge
uilen in het donker opdoken, en vanaf een
hoge uitkijkpost tekeer gingen. Je hoopte
natuurlijk dat hun ouders de leuke vogeltjes
die je overdag zag, niet te pakken kregen,
maar ja, de natuur is geweldig maar nu
eenmaal ook meedogenloos, ook op De
Ridderhof waar mensen immers te gast zijn in
de natuur. Als je omhoog keek zag je de
Grote Beer.
|