|
(In de
zomer-editie van de Maandbrief van ‘mijn’
kerkelijke gemeente schreef ik onderstaand
stukje. Mijn man en ik verbeelden ons, dat
de roodborstjes die bij óns geboren zijn nog
altijd in de buurt wonen. Of recreëren wij
in hún buurt?! We genieten in elk geval van
de kleine vogeltjes en zij zijn nieuwsgierig
naar ons en komen heel dicht naar ons toe
gehipt!)
Bij
ons vakantiehuisje in de bossen van Lage
Vuursche zat een roodborstnest. In het
schuurtje, dat in open verbinding staat met
‘buiten’, had een vogelpaar op een doos,
vlak onder een plank, een nest gemaakt en
het vrouwtje had daarin een aantal eitjes
gelegd. Dat wisten we niet, de hele bouw was
aan ons voorbij gegaan, maar toen ik het
schuurtje binnenkwam vloog één van de
roodborsten van schrik op en weg. De doos
trok ik voorzichtig naar voren en ik zag een
aantal grijs-pluizige bolletjes. Dood?
Levend? Gauw schoof ik de doos weer terug en
verliet de schuur om de vogels de rust te
geven die ze mogelijk nodig hadden.
Door
het wc-raampje konden we in het schuurtje
kijken en we zagen hoe het mannetje en het
vrouwtje om beurten proviand aanvoerden. De
vogeltjes leefden dus, en twee dagen later
trok ik de doos opnieuw behoedzaam naar
voren. Nu waren de bolletjes te
onderscheiden in kopjes en lijfjes, gele
snaveltjes, oogjes nog toe. We verlieten ons
huisje en een week later waren de vogels
gevlogen. Het nest was leeg en wij waren
blij: ze hadden bij ons tot volle groei
kunnen komen. Dat het roodborstjes waren
vond ik extra fijn: het zijn de vogeltjes
van m’n jeugd in Doorwerth, en ik verbind ze
met aandacht voor de natuur en geborgenheid.
Een van m’n grootmoeders leerde me het lieve
liedje:
Roodborstje tikt tegen 't raam, tin, tin,
tin,
Laat mij erin, laat mij erin.
't Is hier te guur en te koud naar mijn zin,
Laat mij erin, tin, tin, tin.
't
Meisje deed open en strooid' uit haar schoot
Kruimeltjes suiker en kruimeltjes brood.
Dat was het roodborstje wel naar de zin,
Vloog toen het bos weder in.)
|