|
De
huismerel
15
januari 2010
Het
is koud en het sneeuwt, een echte winter,
net als vorig jaar. Ook toen waren het voor
vogels barre tijden. Ik denk terug aan onze
huismerel. Hij heeft vorig jaar de strenge
vorst niet overleeft.
Destijds introduceerde hij zichzelf. Wij
waren nieuw, hij wist hoe het ging.
Als we arriveerden zat hij meestal al te
wachten, hipte om ons heen en was helemaal
niet bang. Als hij er niet was dan rammelden
we met een doosje. Hij kwam altijd direct.
Op koerende toon vertelde hij lange verhalen
terwijl we samen in de tuin werkten.
Natuurlijk kreeg hij ook van ons lekkere
zaadjes.
Onze tuin was duidelijk zijn territorium, de
vrouwtjesmerel jaagde hij weg en andere
mannetjes maakten geen kans. De boterham op
ons bord pakte hij moeiteloos mee en de
vetbol voor de mezen kwam hij zelfs
binnenshuis ophalen. Hij was een echt
vriendje, met een wit stipje op z’n kop, een
hangende vleugel en een vragende blik. We
hadden een gezellige herfst samen.
Toen ging het langere tijd vriezen. Eerst
zorgden we nog voor open water en zaadjes,
maar later werd het te koud in het boshuis.
In de lente riepen we hem weer met ons
doosje. “Ach, hij is vast ergens anders, hij
komt zo wel…” Maar hij kwam niet meer.
Later zagen we zo nu en dan een ander
mannetje, een kleintje, zonder stip. Hij kon
ongestoord z’n gang gaan en verwachtte niets
van ons.
We missen ‘m, onze huismerel.
|